Een normaal wasprogramma bestaat uit een aantal fasen die automatisch achter elkaar worden uitgevoerd. De precieze duur en instellingen verschillen per wasprogramma en model, maar bij een gebruikelijke voorlader ziet het proces er in grote lijnen zo uit:
- De deur wordt vergrendeld. De besturing controleert of het programma veilig kan beginnen.
- Water stroomt de machine in. Het inlaatventiel opent en de machine neemt de hoeveelheid water op die voor het programma nodig is.
- Water en wasmiddel bereiken het wasgoed. Bij gebruik van de wasmiddellade stroomt water langs het betreffende vak en neemt het wasmiddel mee richting de kuip.
- De hoofdwas begint. De trommel draait op relatief lage snelheid en beweegt het wasgoed voortdurend door het wassop. Wanneer het programma daarom vraagt, wordt het water verwarmd.
- Het water wordt afgepompt en het wasgoed gespoeld. Vuil waswater verdwijnt via de afvoerpomp. Daarna komt schoon water binnen om achtergebleven wasmiddel en vuil uit de stoffen te verwijderen.
- De machine centrifugeert. De trommel draait veel sneller dan tijdens het wassen, waardoor een groot deel van het water uit het wasgoed wordt verwijderd.
Een wasmachine voert deze stappen niet bij ieder programma exact hetzelfde uit. Een fijnwasprogramma gebruikt bijvoorbeeld een andere trommelbeweging en een lager centrifugetoerental dan een intensiever katoenprogramma.